The Promised Land en het journaille

Poe. Nou. Mijn beoordelingsvermogen is even stevig aan het wankelen gebracht nu het Nederlandse recensentenkorps de zomerfestivalvoorstelling die mij tot nu toe het meeste deed tot de grond toe afbrandt, met slechts her en der een positief nootje voor de enthousiaste spelers en de beste band. Pijnlijk voor alle mensen van Orkater en consorten die keihard aan The Promised Land hebben gewerkt. En, of ik moet we wel heel sterk vergissen, nog ten onrechte ook.

Want er klopt iets niet. Waar meneer en mevrouw de recensent spreken van ‘de teleurstelling van het festival’ twitteren, praten, facebooken de bepaald verwende Amsterdamse bezoekers toch vooral over een ontroerende, meeslepende en bijzondere ervaring.

Wat is er aan de hand?

‘Aan de inzet van de spelers ligt het niet’, schreef de NRC. Nee, zeker niet. Die werken zich twee uur volkomen in het zweet om de bezoeker de ervaring van zijn leven te bezorgen. Ze nemen je mee over zee, als een groep emigranten toen en ook nu, ieder stap krachtig verbeeld met bewegingsscènes die allemaal hun eigen karakter dragen. Woorden zijn ondergeschikt; dat je niet altijd goed verstaat wat wel wordt gezegd, draagt bij aan de verwarring, de angst, de onzekerheid van de groep mensen waar je ineens deel van uitmaakt. Zij kwamen immers overal vandaan en spraken allemaal andere talen, ze hadden vooral één ding gemeen: ze hadden het niet goed in Europa en wilden het graag beter krijgen in de Verenigde Staten. Zelfs al begrijp je niet alles, je voelt: de hoop op een beter leven vecht voortdurend met het afscheid van alle goede dingen van je oude bestaan. En je leert in de loop van de voorstelling: die lange, zware reis naar dat nieuwe leven, die grote aderlating van het achterlaten wat je lief is maakt niet dat dat het ineens makkelijk wordt als je aan de andere kant op de kade stapt. Enerzijds omdat je, net als thuis, ook in het beloofde land gezien wordt als een minderwaardige mensensoort en anderzijds omdat je het leed van je verleden mee hebt gedragen in je koffers en je dat bij het uitpakken weer tegenkomt. Niet alleen toen, 100 jaar geleden van Europa naar Ellis Island, maar ook nu, als reiziger, als emigrant, als vluchteling; als Russisch bruidje, als Bulgaarse gastarbeider, als Afrikaans hoertje loop je keihard tegen de muren van de bureaucratie en het opportunisme van gastlanden aan. Je moet wel een hart van steen hebben, of keihard PVV’er zijn, om die waardeloosheid, machteloosheid, afhankelijkheid niet op de een of andere manier te voelen, of zelfs mee te beleven.

 

Klik op de link hieronder om verder te lezen.

Ik zag de voorstelling twee keer. De eerste was de eerste volledige doorloop, waaruit bleek dat het vooral technisch en qua routing allemaal nog wel wat strakker kon. Maar de inhoud, die stond toen al als een huis. Vond ik. En ik heb geen hart van steen, integendeel. Ik voelde de slechte behandeling van de emigranten, hun angst, hun verdriet zo sterk, dat ik een minuut of tien ben vergeten te knippen, puur omdat het stuk me zo aangreep en ik een brok in m’n keel had. En ook de tweede keer dat we er waren, bij een try-out, gebeurde dat op een paar momenten.

Dat had ik niet alleen, merkte ik, dat had een behoorlijk deel van het publiek. En zelfs de mensen die het niet zichtbaar lieten merken stonden na afloop op de banken met een denderend applaus.

Waar ligt het dan aan dat de recensies zo negatief zijn? Trouwens niet alleen van deze voorstelling; er was er een die het Over het IJ festival beschreef als oppervlakkig en leeg. En het spijt me, maar na meer dan driekwart van de voorstellingen te hebben gezien zou ik durven zeggen dat veel stukken wellicht nog wat erg vers en experimenteel zijn – ik drijf daarop maar het algemene publiek vindt dat wellicht lastiger – maar dat oppervlakkig en leeg een allesbehalve correcte omschrijving is van een verzameling voorstellingen over en interessante visies op depressie, afscheid, migratie, natuurbescherming, milieuvervuiling, communicatie, vooroordelen en andere belangrijke onderwerpen waar de mensheid mee te maken heeft.

 

Nee, ik ben niet volledig neutraal, ik ben de fotograaf van de voorstelling en ook van het festival. Maar ik kan heus voldoende buiten mezelf gaan staan om te zien dat ik subjectief ben en zelfs waarom en dat was en is hier niet aan de orde. Ik ken de makers niet of nauwelijks, wist niets van de voorstelling voor ik erin dook, dus wat ik ervoer komt uit de combinatie tussen mij en de voorstelling en niet uit een goede relatie voort of zo. Na al die negatieve en gemiddelde berichten ben ik echt nog eens goed bij mezelf en mijn beoordelingsvermogen te rade gegaan om zeker te stellen dat het niet puur aan mij persoonlijk ligt en dat er toch echt iets anders aan de hand moet zijn waardoor ik de stap wil zetten mijn subjectieve gevoel en mijn observaties te laten prevaleren boven het oordeel van een groep goed opgeleide, ingevoerde, afwegende mensen wier vak het is voorstellingen te bekijken en er een stukje over te schrijven.

 

Ik denk dat ik het weet. Ik heb al eerder geschreven over het gegeven ‘ervaringsvoorstelling’ – op de keper beschouwd iedere goede voorstelling, want wat is theater zonder ervaring? – en over het gegeven feit dat je jezelf als recensent nooit ofte nimmer buiten de beoordeling kunt laten omdat jouw referentiekader, jouw state of mind, jouw manier van kijken naar de wereld meebepalen hoe je een voorstelling beleeft. Dat valt achteraf wel enigszins te bezien, maar niet volledig uit te gummen.

Wat hier aan de hand zou kunnen zijn, is dat de recensent zich koste wat kost ‘objectief’ en ‘professioneel afstandelijk’ wil opstellen, simpelweg weigert te erkennen dat je altijd een deel van je jezelf in je visie hebt zitten en dat stukje wat je kunt uitschakelen waar mogelijk ook werkelijk uitschakelt. Dat stukje noem ik hier voor het gemak even ‘bereidheid’.

Het fijnste publiek voor theatermakers is dat publiek dat zich openstelt. Zonder al te veel verwachting vooraf, zonder idee over wat het te zien is, zonder te schrikken als er iets anders gebeurt dan anders, zonder per se alle ins en outs te willen begrijpen en met hart, ziel en geest wagenwijd open voor alle mogelijke associaties, gevoelens en ervaringen.

De professionele recensent, en helaas te vaak ook de goedbedoelende amateur- of vrijwillige schrijver in zijn drang klassiek krantje te spelen, heeft die bereidheid niet, of toch minder. Hij laat zich zelden meeslepen in de sfeer, in het gevoel, in de ervaring, in de bedoeling, in de… nou ja, alles. Afstand is voor de professioneel kijker een groot goed en dus moet hij zich vooral niet te veel openstellen voor al die bijzondere dingen waar theatermakers je mee willen overladen.

 

Een voorstelling is, hoe je het ook wendt of keert, niet alleen te beoordelen op objectieve criteria. Wat mij betreft is het allerbelangrijkste criterium of die je wat doet, of die je aan het denken heeft gezet of die je visie op de dingen nog eens wat scherper kan stellen. En of een voorstelling dat doet, kun je alleen beoordelen als je je daarvoor openstelt. Of als je tenminste kijkt hoe mensen die zich daarvoor wel openstellen op de voorstelling reageren.

Afstand is een oneerlijk uitgangspunt bij een voorstelling die dichtbij moet kunnen komen. Je kunt daarmee een voorstelling als deze, waar raken een van de hoofddoelen is, nooit werkelijk op z’n merites beoordelen. Een voorstelling, goed of slecht, kan alleen echt landen als je bereid bent. En al wie dat niet is, hoeft voor mij geen stukjes meer te schrijven.

 

NB Ik heb het hier louter over voorstellingsrecensies, die door het publiek worden gezien als een goede weergave van de voorstelling en vaak worden gelezen als gaan/nietgaan-advies. Voor kunstbeschouwingen in bredere zin gelden andere criteria en uitgangspunten.

.

Leave a Reply