Uitsluiten of insluiten?

Hakaworskhop tijdens Festival 5D, juli 2013, NDSM-terrein Amsterdam.

Hakaworskhop tijdens Festival 5D, juli 2013, NDSM-terrein Amsterdam.

In de kranten verschenen berichten over verstandelijk beperkte mensen die overlast veroorzaken in woonwijken. Een arts uit Amsterdam schreef een ingezonden stuk in De Volkskrant waarin ze betoogde dat integratie van deze mensen onzin is. Het is immers niet OSM, ofwel: ons soort mensen, ze zijn wezenlijk anders dan ‘wij’, stelt zij. Ze moeten vooral lekker bij elkaar gaan zitten, maar niet tussen ‘ons’. Haar ‘ons’ is duidelijk het mijne niet.

Als klein meisje had ik een grote vriend. Hij heette Hans, was ruimschoots volwassen en zowat twee meter lang. Hij was een mongool, dat mocht je toen nog zeggen. En ik zeker: ik was zes jaar en bedoelde er natuurlijk geen kwaad mee. Sterker, ik was dol op die vriendelijke reus die net zo onbevooroordeeld naar de wereld kon kijken als ik. Hij gaf er helemaal niks om dat ik wratjes had op m’n beide handen en dat ik altijd het hoogste woord voerde. Dat hoorde bij mij, en hij vond mij leuk, dus ook die gekke tekortkomingen.
We gingen verhuizen. Ik was bijna acht jaar en moest wennen in een nieuwe straat, niet heel ver van het oude huis maar wel een grote weg over en tja, dat mocht ik niet alleen. Hans kon ik dus minder vaak zien. Goddank woonde in onze nieuwe straat weer een mongool, Gerianne. Ze was net iets ouder dan ik, maar in denken en doen jonger. Ze was een nakomertje en was strontverwend. Ze snoepte te veel en kon ontzettend lastig zijn voor de mensen om zich heen. Maar ze was dol op mij en ik op haar. Net als Hans oordeelde zij niet, zij was.
Dat was ontzettend fijn voor een meisje dat, zo besef ik nu, een beetje moeite had met al die leeftijdsgenoten die langzaam maar zeker alles in een perspectief van jij versus ik gingen zien, die groepsgedrag gingen vertonen, die de kindertijd definitief achter zich lieten. In Sinterklaas geloofde ik ook niet meer, in sprookjes evenmin, maar in andere mensen, dat zeker nog wel. Vertrouwen was de basis; wantrouwen kon altijd nog, als je keihard werd belazerd of zo. En dat deelden Gerianne en ik, zo slim was ze dan weer wel.
Later had ik andere vrienden. Vaak met, zoals de boze buitenwereld dat noemt, een vlekje. Al die etiketten van nu waren er nog niet, maar mensen die ‘anders’ waren, waren er altijd al. En juist die leek ik in mijn vriendenkring op te nemen, zelfs al vonden andere mensen om me heen dat stom. Mijn soort mensen was altijd extreem uiteenlopend. De enige wezenlijke overeenkomst tussen allemaal was dat ze de mens tegenover hem of haar inclusief al z’n gekkigheden als gelijkwaardig zagen. Niet uit strategie, maar uit ingebakken noodzaak.
Volgens de normen en officiële terminologie heb ik zelf geen etiket, geen vlekje. Ik ben een ietsje te zware, maar best leuke vrouw om te zien met een licht bovengemiddelde intelligentie en normaal werk. Ik heb wel ergens last van: van al die gewone mensen om me heen. Van die mensen die hun oordeel over anderen altijd klaar hebben. Die het niet kunnen hebben als iemand een beetje anders is dan anderen. Mensen die uitsluiten in plaats van insluiten omdat ze niet verder kunnen of willen kijken dan hun neus lang is.
Nee, doe mij maar liever mijn soort OSM. In alle kleuren en maten en met alle mogelijke eigenaardigheden, maar wel met het vermogen anderen te zien zoals ze zijn, dwars door hun afwijkingen en tekortkomingen heen. Daar wordt mijn wereld echt een stukje mooier van.

NB Ik schreef deze column voor De Nieuwe Pers maar vond ‘m bij nader inzien toch geschikter voor op m’n eigen blog.

Rafelrandje aan het IJsselmeer – DNP-column

Als investeerder in De Nieuwe Pers had ik al even het recht een aantal artikelen aan te leveren die de redactie plaatst als ze tijd heeft. Kwam er niet van iets te schrijven, maar vorige week dacht ik: toch zonde om voorbij te laten gaan. Dus besloot ik af en toe fotocolumns te gaan maken. Ons dagje Friesland leverde een onderwerp op, het vervallende badpaviljoen in Hindeloopen. De redactie had rap (komkommer)tijd, dus hij werd meteen geplaatst.

© Saris & den Engelsman


100 jaar oud is het, op de kop af, het badpaviljoen Hindeloopen aan de Friese kant van het IJsselmeer. Op het eerste oog ziet het art deco-gebouwtje er stralend uit. Maar wie iets  beter kijkt, krijgt snel in de gaten dat de zon, de knetterende blauwe lucht en het frisgroene gras hem moeten hebben verblind. Het paviljoen, ooit het stralende middelpunt van mondaine feesten en partijen, staat al jaren leeg en lijdt daar ontzettend onder. Planken voor de ramen, prikkeldraad op de rand van het terras, een niet mis te verstaan ‘verboden toegang’ op de trap onder aan de dijk, afbrokkelend beton in alle vier de buitenmuren. De Vlaamse fotograaf Stephan Vanfleteren moet het over het hoofd hebben gezien toen hij enkele jaren geleden door Friesland trok op zoek naar rafelrandjes en na zijn trektocht tot zijn grote teleurstelling bekende die niet te hebben kunnen vinden.

De eigenaar van het pand-met-de-torentjes ligt al een tijdje in de clinch met verschillende overheden over de hoognodige opknapbeurt, de kosten die daarmee gepaard gaan en de subsidies die daarbij moeten helpen, vooralsnog zonder tevredenstellende uitkomst. En dus kan de badgast gerust naast badpaviljoen Hindeloopen gaan zitten, in het gras of op het zand, en genieten van het eindeloze pierenbad dat het IJsselmeer op die hoogte is, maar een versnapering, een fris biertje of een ijsje zal hij in het paviljoen niet kunnen krijgen, ongeacht het trotse logo op de gevel aan de straatkant.

Of gloort er toch hoop? Ondanks het ‘gesloten’-bordje op de voordeur staat die op een kier en komt er iemand uit. Geen klant, zo weten de mensen in de buurt, want dicht blijft nog even dicht, de impasse is zomaar niet doorbroken. Vermoedelijk gebruikt een kennis of familielid van de eigenaar het gebouw als een ruim bemeten strandhokje waar hij zich omkleedt om te gaan surfen, zonnen of zwemmen.